Toen ik klassiek gitaar en compositie studeerde aan het conservatorium, leerde ik niet enkel goed gitaar spelen en muziek schrijven, maar kreeg ik ook veel kritiek te verduren van enkele van mijn docenten. Ik had daar destijds grote moeite mee, maar er waren enkele dingen die hielpen om daarmee om te gaan.

In 1994 begon ik aan mijn studie compositie aan het conservatorium van Gent en mijn hoofdvakdocent leek erg aanmoedigend. Het eerste jaar ging dan ook erg goed. Bij de aanvang van het volgende jaar stelde mijn compositiedocent voor dat ik bij een ander zou gaan studeren. Destijds begreep ik niet waarom, aangezien ik het eerste jaar als zo positief had ervaren, maar naarmate het tweede jaar vorderde, werd de kritiek van mijn hoofdvakdocent intenser. Verbaal en non-verbaal liet hij me weten dat hij niet van mijn muziek hield, waarbij hij dingen zei als: “Ik vind dit stuk te gladjes…”

Het is pas naarmate ik ouder word dat ik het commentaar van mijn docent in perspectief kan plaatsen. Als compositiestudent in die jaren was het de bedoeling dat je intellectuele, “grensverleggende” muziek zou schrijven. Dit betekende moeilijke, atonale stukken die, in mijn visie, niemand wilde schrijven, die niemand wilde spelen en waar niemand naar wilde luisteren. Een andere compositiedocent aan het conservatorium schreef bijvoorbeeld filmmuziek en de intellectuele kliek vond dit maar – en ik citeer – “brol”. Consonante, tonale muziek werd op neergekeken. Het was eigenlijk niet de bedoeling dat je een mooie, goed in het gehoor liggende melodie zou schrijven. Mijn hoofdvakdocent vertelde me dat ik niet de meest grensverleggende noten schreef en ik denk dat hij eigenlijk wilde zeggen dat dat wel de bedoeling was.

Ik was in die jaren in een lastige situatie verzeild geraakt en probeerde uiteindelijk dus deze atonale muziek te schrijven, maar wel ten koste van mijn eigen integriteit en authenticiteit. Enkele jaren geleden schreef ik een kort stukje met “muzikale chaos” om een komisch effect te bewerkstelligen; ik denk dat het de goedkeuring van mijn compositiedocent zou hebben opgeleverd:

(“Boop Beep Music” – geschreven en uitgevoerd door Emiel Stöpler.)

Opmerkelijk genoeg kan deze “ingewikkelde” muziek heel eenvoudig zijn om te schrijven en improviseren. De Zweedse componist Anders Eliasson vertelde eens over zijn eigen tijd aan het conservatorium, waar hij kennis maakte met het hedendaagse klassieke muziek idioom. Hij schreef:

Het was een kleine moeite om het onder de knie te krijgen – het was een kwestie van technieken, niet van muziek, er was niets authentieks aan.

Ik kreeg ook een meningsverschil met mijn oud-gitaardocent, met wie ik in Nederland studeerde voordat ik naar het conservatorium ging. Ik ben hem veel dank verschuldigd voor zijn inspirerende gitaarlessen, maar in latere jaren, toen we contact bleven houden, merkte ik dat onze muzikale smaken uiteen liepen. Hij heeft enkele van mijn stukken gespeeld die hij mooi vond, maar hij vind het gros van mijn muziek te licht, te zoet en “te lief”.

Dus toen ik onlangs een cross-over solo gitaarstuk schreef, voelde ik me erg onzeker. In mijn hoofd hoorde ik niets dan de kritiek van vroeger, alsof ik het commentaar van mijn oud-docenten me eigen had gemaakt:

(“Nightcap” – geschreven en uitgevoerd door Emiel Stöpler.)

Alhoewel ik me enigszins bedrukt voelde door al die kritiek uit het verleden, zijn er ook andere – meer positieve – ontwikkelingen geweest. Ten eerste hou ik in gedachten dat iemand die mijn werk bekritiseert dat kan doen om redenen die niks met mijn muziek te maken hebben. Ze hebben misschien hun eigen frustraties omdat ze niet de waardering krijgen die ze denken te verdienen of voelen ze zich simpelweg onzeker. Ten tweede is dat ik in de afgelopen maanden spontaan aan mensen moest denken die zich erg positief uitlieten over mijn muziek. Echter, omdat mijn eigen innerlijke criticus altijd zo dominant aanwezig was, was het net alsof ik dat nooit registreerde. Nu achteraf kan ik nog steeds genieten van het commentaar dat men gaf. Tot slot realiseer ik me dat kritiek en feedback waardevol kan zijn, alhoewel dit het beste werkt als het opbouwende kritiek is en niet het soort dat impliceert dat je werk waardeloos is.

Samengevat, bedenk ik me nu hoe krankzinnig het was om te proberen compositie te studeren aan het conservatorium van Gent. Het was pas jaren later dat ik besefte dat ik naar een andere hoofdvakdocent had moeten gaan. Ik begrijp dat niet iedereen mijn muziek mooi vindt, net zoals ik zelf ook niet alles kan waarderen, maar afgezien van persoonlijke smaak, kan muziek nog wel kwaliteit hebben: het kan goed gespeeld zijn, goed geproduceerd of interessante melodieën of akkoordprogressies hebben. En eerlijk is eerlijk, mijn oud-docent compositie had wel eens gezegd dat ik erg creatieve muzikale ideeën had.

Ik vind het heerlijk om muziek te schrijven – het is een staat van ware extase – en ik ben erg dankbaar dat er mensen zijn die mijn werk kunnen waarden. Dat betekent ook dat ik me niet in allemaal bochten hoef te wringen om de waardering te krijgen van mensen die – om wat voor reden dan ook – niet houden van wat ik maak.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *